De invloed van licht
- cynthiatiebosch
- Jan 7
- 5 min read
Updated: Jan 8
Je hebt dé kleur gevonden. Op het staaltje perfect, op de muur ineens totaal anders. Dat ligt mogelijk alleen aan de verf, maar vooral aan het licht. De kleur van het licht, de hoeveelheid licht, daglicht, de ligging van de ruimte en ook de CRI-waarde van je verlichting spelen hierin een grotere rol dan veel mensen denken.
In dit blog leg ik uit waarom een kleur gedurende de dag kan veranderen, wat het verschil is tussen noord en zuid, waarom de ene ruimte meer licht nodig heeft dan de andere, en waarom twee lampen met dezelfde Kelvin-waarde toch een heel ander effect kunnen hebben.

Foto: Adobe Stock
Kleur bestaat niet zonder licht
Een kleur zie je nooit los van licht. Verf reflecteert licht, het licht dat op de muur valt bepaalt hoe die kleur uiteindelijk wordt waargenomen. Dat betekent dat dezelfde verfkleur er anders uitziet in de ochtend dan in de avond, anders in de winter dan in de zomer en anders bij kunstlicht dan bij daglicht.
Daarom kijk ik bij kleuradvies altijd naar de ruimte zelf. Niet alleen naar de kleurstaal, maar ook naar lichtinval, gebruik van de ruimte en het moment van de dag waarop je er het meest bent.
Kleurtemperatuur, warm of koel licht
De kleurtemperatuur van een lichtbron wordt uitgedrukt in Kelvin. Hoe lager de Kelvin-waarde, hoe warmer het licht oogt, hoe hoger de waarde, hoe koeler en witter het licht wordt ervaren.
Globaal kun je dit zo indelen:
Warm licht, ongeveer 2000 tot 3000 Kelvin. Dit licht oogt geelachtig en zacht, en wordt vaak toegepast in woonkamers en slaapkamers omdat het een rustige en intieme sfeer geeft.
Neutraal tot koel wit licht, ongeveer 3100 tot 4500 Kelvin. Dit licht is helderder en actiever, en zie je veel in keukens, werkkamers en functionele ruimtes.
Daglicht: rond de 6500 Kelvin.
Omdat verf licht reflecteert, zal dezelfde kleur onder warm licht heel anders ogen dan onder koel daglicht. Een beige kan romig en warm worden bij 2700K, terwijl diezelfde kleur onder 4000K ineens grijzer of koeler lijkt.

Foto: iStock
Noord of zuid maakt echt verschil
Daglicht verandert continu. Niet alleen gedurende de dag, maar ook door het seizoen en de ligging van de ruimte.
Een ruimte op het noorden krijgt vooral indirect licht. Dat licht is koeler en gelijkmatiger. Kleuren ogen hier vaak rustiger, maar ook iets vlakker. Warme tinten kunnen hier helpen om meer balans en zachtheid te brengen.
Een ruimte op het zuiden krijgt veel direct zonlicht. Dat licht is warmer en intenser, en verandert sterk gedurende de dag. Kleuren kunnen hier sneller warmer of feller ogen dan je vooraf verwacht. Donkere kleuren kunnen bijvoorbeeld een dominant karakter krijgen.
De ligging van een ruimte op het oosten zorgt voor licht dat gedurende de dag verandert. Het verschuift van warm naar koeler. Zachte tinten werken hier vaak prettiger dan uitgesproken kleuren.
In een ruimte op het westen werkt het precies andersom. Het licht is overdag vaak koeler en wordt richting het einde van de dag warmer en zachter. In een kamer op het westen werken lichte, neutrale en poederachtige tinten vaak prettig.
Cri, de vergeten factor
Naast kleurtemperatuur speelt ook de CRI-waarde een belangrijke rol. CRI staat voor Color Rendering Index en zegt iets over hoe natuurgetrouw kleuren worden weergegeven door een lichtbron.
De schaal loopt van 0 tot 100, waarbij 100 gelijkstaat aan de kleurweergave van natuurlijk daglicht. Daglicht is daarmee altijd de referentie.
Een CRI boven de 80 wordt beschouwd als goed voor algemeen gebruik.
Een CRI van 90 of hoger wordt als uitstekend gezien en geeft kleuren veel natuurgetrouwer en dieper weer.
Dit verklaart waarom twee lampen met dezelfde Kelvin-waarde toch een heel ander effect kunnen hebben. Een lamp met een hogere CRI laat pigmenten in verf voller en rijker zien. Bij een lagere CRI mist het licht delen van het kleurenspectrum, waardoor kleuren minder natuurgetrouw worden weergegeven. Dat kan zich uiten in minder diepte, minder verzadiging, een doffere of vlakkere indruk, of een kleur die net niet klopt.

Foto: onbekend
Lichtintensiteit, hoeveel licht doet ertoe
Naast kleurtemperatuur en CRI speelt ook lichtintensiteit een grote rol. De hoeveelheid licht in een ruimte wordt uitgedrukt in lux en heeft directe invloed op hoe alert of ontspannen je je voelt. Ik hoor je al denken, moet dat niet lumen zijn? Lumen is de bron, lux is wat je ziet.
Licht met een hoge intensiteit stimuleert de alertheid en onderdrukt de aanmaak van het slaaphormoon melatonine. Dat is prettig op een werkplek of in de keuken overdag, maar minder wenselijk in de avond wanneer je lichaam juist wil afschalen.
In de keuken betekent dit bijvoorbeeld een basisverlichting van ongeveer 300 tot 500 lux, met extra werkverlichting van rond de 1000 lux op het aanrecht. Zo blijft de ruimte prettig, zonder dat het licht overal hard of onrustig wordt.
Lux, hoe zit dat?
Naast kleurtemperatuur en CRI speelt ook de hoeveelheid licht een grote rol. Die hoeveelheid noemen we lux. Lux zegt iets over hoeveel licht er daadwerkelijk op een oppervlak valt en dat heeft invloed op hoe alert of ontspannen je je voelt. Eén lux betekent letterlijk één lumen per m². Lumen is de hoeveelheid licht die een lamp uitstraalt, lux is wat daarvan daadwerkelijk op een oppervlak terechtkomt, wat je dus ervaart in een ruimte. Simpel gezegd, de bron versus het effect.
Hoeveel lux prettig is, hangt vooral af van wat je in een ruimte doet en hoe intensief je je ogen gebruikt. Je hoeft dit niet exact uit te rekenen, het gaat om globale richtlijnen.
In een woonkamer is ongeveer 300 lux meestal voldoende voor basisverlichting. Dit geeft rust en sfeer zonder dat het te fel wordt.
In keukens en badkamers ligt de behoefte hoger, vaak tussen de 300 en 500 lux, omdat je hier actiever bezig bent.
Voor plekken waar je werkt, leest of kookt, zoals een aanrecht of bureau, is extra licht prettig, denk aan circa 750 tot 1000 lux op die specifieke plek.
Zie deze waarden niet als vaste regels, maar als richtlijnen. Daglicht, leeftijd en persoonlijke gevoeligheid spelen hierin ook mee. Wat voor de één prettig is, kan voor de ander te weinig of juist te veel zijn.
Heb je een idee van de gewenste lux per ruimte, dan kun je bepalen hoeveel lumen je nodig hebt. Daarvoor kun je deze vuistregel gebruiken:
gewenste lux × oppervlakte in m² = benodigde lumen.
Met een dimmer kun je de hoeveelheid lux bovendien zelf sturen, zodat het licht wordt afgestemd op het moment van de dag en wat je in de ruimte doet. Denk aan een eettafel waar je gezellig wilt tafelen, maar waar ook spelletjes worden gespeeld of gelezen. Dat vraagt telkens om een andere hoeveelheid licht.
Licht en leeftijd
Bij het kiezen van verlichting wordt vaak vergeten dat onze ogen veranderen met de jaren. Naarmate we ouder worden, wordt de ooglens minder transparant en iets geler. Daardoor bereikt er minder licht het netvlies en verandert de manier waarop kleuren worden waargenomen. Die achteruitgang begint vaak al merkbaar rond het 45e levensjaar.
Je kunt het ouder wordende oog vergelijken met een camera waarvan de lens in de loop der jaren bedekt is geraakt met een gelige filter en waarvan het diafragma (de pupil) niet meer volledig open kan. Om met die camera toch nog een heldere en kleurrijke foto te maken, heb je veel krachtiger studiolicht nodig dan bij een gloednieuwe camera.
Tegen de tijd dat iemand 60 is, is de lichtbehoefte door deze biologische veranderingen zo sterk toegenomen dat er gemiddeld ongeveer vijf keer zoveel licht nodig is voor dezelfde eenvoudige taken. Waar een jonger oog voldoende heeft aan ongeveer 300 lux, is dat voor een ouder oog eerder richting de 1500 lux.
Dat betekent dat een ruimte die voor de één prettig en helder aanvoelt, voor de ander te donker kan zijn. En dat heeft niet alleen invloed op comfort, maar ook op hoe kleuren worden gezien en beleefd.
Tot slot
Zie licht niet als iets technisch, maar als onderdeel van je interieur. Als kleur en licht samenwerken, voelt een ruimte vanzelf kloppend.





Comments